Training en ontwikkeling van crisisteams

Wie krijgt
ruimte aan de
crisistafel
en wie niet?

Aan een crisistafel is iedereen formeel gelijk. Binnen tien minuten ligt er toch een ordening: wie spreekt, wie wacht, wie wordt geloofd.

Zo leren crisisteams presteren

De krachten onder de tafel

Het gaat hier om alles wat het gedrag aan een crisistafel stuurt zonder dat iemand het heeft afgesproken.

Groepsdynamica is de verzamelnaam voor die krachten: de rollen die mensen krijgen toebedeeld, de posities die ze innemen, de normen die een groep binnen een half uur ontwikkelt en de status die bepaalt naar wie wordt geluisterd. Ze werken in elk team, ook in een team dat zichzelf professioneel en gelijkwaardig noemt. Dat speelt overal waar meerdere disciplines aan één tafel zitten, of je daar nu zelf aan deelneemt, er leiding aan geeft, of in een gemeente, veiligheidsregio, bedrijf, beveiligings-, opsporings- of zorgorganisatie verantwoordelijk bent voor de vakbekwaamheid van die teams.

Het aantrekkelijke aan het woord groepsdynamica is dat het klinkt als iets zachts, als sfeer. In de praktijk gaat het over iets veel harders: het is de reden dat informatie die aan tafel aanwezig was het besluit niet haalde. Iemand wist iets en zei het niet, of zei het en werd overstemd. Achteraf is dat te reconstrueren en dan lijkt het onbegrijpelijk. Op het moment zelf voelde het voor iedereen aan tafel logisch.

Het vertrekpunt

Waar de aandacht
van de groep naartoe gaat

Een crisisteam kan op elk moment twee dingen doen. Het kan werken aan de taak, en het kan bezig zijn met de spanning die die taak oproept. Van buiten zien die twee er hetzelfde uit: er wordt vergaderd, er worden woorden gebruikt die over het incident gaan, er lijkt voortgang te zijn.

Dat onderscheid komt van de psychiater Wilfred Bion, die na de Tweede Wereldoorlog het groepswerk van het Tavistock Institute vormgaf.

Werkt de groep aan de taak, dan houdt ze voeling met de werkelijkheid. Het overleg gaat ergens over, meningsverschillen gaan over de zaak, en wat er gezegd wordt is te herleiden tot het probleem dat op tafel ligt.

In het andere geval is de groep in de kern iets anders aan het doen: de spanning draaglijk maken. Beslissen onder onzekerheid roept ongemak op, en zodra dat te groot wordt gaat de groep zich er onbewust tegen verweren. Er ontstaat gedrag en interactie die de spanning verlichten en de groep bij elkaar houden, zonder dat iemand aan tafel dat zo bedoelt of doorheeft.

Dit overkomt elk team, ook het meest ervaren, en het wisselt binnen één overleg. De vraag is of iemand het opmerkt terwijl het gebeurt.

Drie patronen

Waar de groep zich
aan vasthoudt

Bion onderscheidde drie van die patronen. Ze zijn geen fouten en geen fasen; het zijn manieren waarop een groep zich onbewust tegen de spanning van het werk verweert. Aan een crisistafel zijn ze alle drie herkenbaar.

01

Afhankelijkheden

De tafel legt het bij één iemand die het zal weten: de voorzitter, de expert, degene met de meeste strepen. De rest wacht af. Er wordt gevraagd in plaats van ingebracht, en het overleg krijgt de vorm van een vergadering waarin één persoon oordeelt en de anderen bevestigen. Het loopt vast op het moment dat die ene het ook niet weet, want de groep heeft dan geen tweede bron.

02

Vechten of vluchten

De tafel richt zich op een tegenstander of op een uitweg. Vechten is de discussie die scherper wordt dan de zaak rechtvaardigt, of het aanwijzen van een schuldige buiten de deur: de andere kolom, de gemeente, de leverancier. Vluchten is het uitstellen van het besluit, het opvragen van nog meer informatie, of het wegduiken in procedures. Beide voelen als daadkracht en beide houden het echte vraagstuk op afstand.

03

Verwachtingen

De tafel richt zich op wat nog moet komen: twee mensen die er samen uit gaan komen, een maatregel die het probleem gaat oplossen, een volgend overleg waarin het duidelijk wordt. De sfeer is opgewekt en de energie is hoog, terwijl er in het hier-en-nu weinig wordt besloten. Het is de prettigst voelende van de drie en daarom de lastigst te herkennen.

Deze patronen zijn niet per definitie schadelijk, en dat is de belangrijkste nuance. Een team dat zich even achter zijn voorzitter schaart, komt de eerste tien minuten van een opschaling goed door. Strijdlust kan een team mobiliseren als er echt iets af te weren valt, en hoop houdt mensen aan het werk in een langdurige crisis. Ze worden pas een probleem als ze de plaats van het werk innemen in plaats van het te dragen. De vraag is dus niet of deze dynamiek er is. Die is er altijd. De vraag is of ze op dit moment helpt of in de weg zit.

Status drukt op wat er gezegd wordt

Status is de best gedocumenteerde van deze krachten. Onderzoek naar teams in hoogrisico-omgevingen laat consistent zien dat statusverschil de assertiviteit vermindert: mensen spreken zich minder uit naarmate degene tegenover hen hoger in rang staat, ouder is, langer meeloopt of uit de organisatie komt die als leidend wordt gezien.

Aan een crisistafel is dat verschil bijna altijd aanwezig. Er zit een burgemeester, een gemeentesecretaris of een brandweercommandant aan, en daarnaast iemand die adviseur is en tien jaar jonger. Formeel zijn ze gelijkwaardig aan die tafel, want de crisisstructuur is daar zelfs op ontworpen. Feitelijk kost het de een een halve seconde om iets te zeggen en de ander een bewust besluit.

Het effect blijft meestal onder de drempel van zwijgen, en daardoor is het lastig te zien: ze zeggen het zachter, ze pakken hun twijfel in als vraag, ze wachten tot iemand anders het zegt en sluiten zich dan aan. De informatie komt er wel uit, alleen met minder gewicht dan ze verdient. Voor het besluit maakt dat verschil.

Status komt bovendien niet alleen uit rang. Ze komt ook uit herkomst, uit wie het incident als eerste zag, uit wie de meeste ervaring claimt. Wie de leiding heeft van een tafel doet er goed aan te weten waar dat verschil in zijn team zit, want het is niet weg te organiseren en wel te compenseren.

Of de mensen elkaar al kennen speelt daarbij op de achtergrond mee. Kennen ze elkaar uit de reguliere organisatie, dan komt de verhouding van daar mee naar binnen: wie in het dagelijks werk boven de ander staat, zit hier formeel als gelijke, en zo voelt het zelden. Kennen ze elkaar niet, dan is er geen bagage en kan de samenwerking puur functioneel blijven, al steunt ze dan volledig op rolhelderheid.

Het mechanisme

Waarom mensen
elkaar volgen

Groepsdruk werkt anders dan het woord suggereert. Er is zelden iemand die druk uitoefent. De druk zit in de situatie.

Er zijn twee soorten sociale invloed en het verschil is voor een crisisteam wezenlijk. De ene is normatief: je past je aan omdat je erbij wilt horen en niet uit de toon wilt vallen. Dat is het mechanisme dat de meeste mensen bedoelen met groepsdruk.

De andere is informationeel: in een situatie waarin niet duidelijk is wat er aan de hand is of wat de juiste reactie zou zijn, kijken mensen naar anderen om te bepalen hoe ze de situatie moeten opvatten. Ze conformeren zich dan niet uit sociale angst, ze doen het omdat ze de ander als bron van informatie gebruiken.

Dat tweede mechanisme is het gevaarlijke aan een crisistafel, want de voorwaarde ervoor is de normale toestand daar. Onduidelijkheid is er altijd. Iedereen aan tafel zoekt houvast, en het meest voor de hand liggende houvast zijn de gezichten van de anderen.

Als vier mensen rustig blijven bij een melding, dan is dat voor de vijfde informatie: blijkbaar valt het mee. Dat de vier het net zo min weten en op hun beurt naar hem keken, is voor niemand zichtbaar.

Zo ontstaat een gedeeld beeld dat op niets rust. Het voelt als overeenstemming en het is een echo.

Vier mensen die rustig blijven omdat de anderen rustig blijven, vormen samen een team dat overtuigd is van iets wat niemand heeft vastgesteld.

Een rol is geen karakter

Een derde patroon zit in de rollen die aan tafel ontstaan. Er is meestal iemand die de vaart erin houdt, iemand die bezwaren opwerpt, iemand die de sfeer bewaakt als het scherp wordt, iemand die zwijgt. Dat lijken karakters en het zijn posities.

Remmerswaal is daar precies over: rollen en posities zijn geen vaststaande grootheden, hun werking wordt evenzeer bepaald door de reacties van de anderen. Iemand is de criticus omdat de rest hem die plek laat, en houdt op het te zijn zodra een ander het overneemt. Wie in het ene team de rustige is, kan in het andere de ongeduldige zijn.

Het gedrag zegt dus iets over de samenstelling van de tafel en veel minder over de persoon. Dat heeft een praktisch gevolg: als de zwijgende deelnemer een eigenschap heeft, valt er weinig aan te doen, en als hij een positie inneemt die door de tafel in stand wordt gehouden, dan is er een aangrijpingspunt. Dezelfde redenering geldt voor de voorzitter: leidinggeven lukt slecht als iemand zich alleen op zijn toegekende positie beroept. De rol moet in het gedrag waargemaakt worden, elke keer opnieuw.

Er zit een systeemkant aan die dit verder brengt. In de interactionele benadering, zoals Paul Watzlawick die uitwerkte, is gedrag altijd een schakel in een lopend patroon: er is iemand die iets doet en iemand die het toelaat, en samen houden ze het in stand.

Wie steeds onderbroken wordt, wordt onderbroken door iemand die daarmee wegkomt. Dat is geen schuldvraag maar een aanwijzing: het patroon heeft twee kanten en is aan beide kanten te doorbreken. Het is ook waarom "hij is nu eenmaal zo" zelden verder helpt: dat legt het probleem bij een eigenschap waar niemand bij kan, terwijl het patroon aan tafel wordt gemaakt en daar dus ook te veranderen is.

Waar je op kunt letten

Vijf lagen tegelijk

Wat het lastig maakt om hier tijdens een overleg iets van te zien, is dat er meerdere dingen tegelijk gebeuren. Een groep functioneert op vijf niveaus tegelijk, en ze lopen alle vijf door elkaar heen. Ze lopen van wat er op tafel ligt naar wat er in iemand omgaat en wat er van buiten meekomt.

Inhoudsniveau

Waar het over gaat: de brand, de uitval, de dreiging.

Procedureniveau

Hoe het wordt aangepakt: de vergaderorde, de besluitvormingsmethode, de tijdsindeling.

Interactieniveau

Wat er tussen de mensen gebeurt: wie krijgt ruimte, wie wordt onderbroken, waar loopt de spanning op.

Bestaansniveau

Wat er in iemand zelf gebeurt: de twijfel die niet wordt uitgesproken, de vermoeidheid, de zorg om later verantwoording te moeten afleggen.

Contextniveau

Wat er van buiten meekomt: het belang van de moederorganisatie, de verhouding met een ander team, de pers die staat te wachten.

In de crisisbeheersing gaat de aandacht vooral naar de eerste twee. Inhoud en procedure zijn waar vergaderingen over gaan en waar plannen en methodieken op zijn gebouwd. Interactie komt de laatste jaren wel in beeld, als het derde niveau van de crisistafel waar de kwaliteit ontstaat in de samenhang met de andere twee, maar het blijft onderbelicht. De laatste twee, die Remmerswaal eraan toevoegt, zijn aan een crisistafel juist zwaar. Ze verleggen de blik van wat er op tafel ligt naar wat er binnen de persoon speelt en wat er van buiten de teams meekomt: iedereen brengt een eigen dag mee en iedereen vertegenwoordigt een organisatie met een eigen belang. Beide werken door in het overleg en beide worden er zelden benoemd. De praktische waarde van de indeling is dat ze taal geeft: een overleg dat vastloopt, loopt zelden vast op de inhoud, terwijl daar wel over doorgepraat wordt. De vraag "zitten we hier vast op de inhoud, op de werkwijze of op iets tussen ons" is te stellen zonder iemand aan te spreken op zijn gedrag, en ze verplaatst het gesprek naar de laag waar het probleem zit.

Alleen te zien terwijl het gebeurt

Groepsdynamica laat zich niet achteraf repareren. In een evaluatie een week later is de dynamiek verdwenen; wat overblijft zijn de besluiten en de reconstructie waarin alles logisch lijkt. Wie wil dat zijn team hier beter in wordt, moet het tijdens het werk kunnen zien.

Dat vraagt twee dingen die los van elkaar te oefenen zijn. Het eerste is waarnemen op twee sporen tegelijk: meedoen aan het gesprek en tegelijk volgen wat er in de groep gebeurt. Dat is aan te leren en het is de kern van wat een goede waarnemer bij een oefening doet, alleen dan vanaf de zijkant.

De vraag die daarbij het meeste oplevert is eenvoudig: waar gaat de energie op dit moment naartoe? Zit de aandacht bij het vraagstuk, of bij het wachten op iemand, bij een tegenstander, bij iets wat straks duidelijk moet worden? Dat is te zien zonder dat je iemand hoeft te duiden, en het is genoeg om te weten of er iets bij te sturen valt.

Het tweede is de interventie erna. Iets benoemen wat in de onderstroom zit, is spannend omdat je het over mensen hebt in plaats van over de zaak. Daarom werkt het beter als het klein begint: een observatie in plaats van een oordeel, een vraag in plaats van een conclusie. "We hebben nu drie keer dezelfde ronde gemaakt" is een uitspraak over het gesprek en niet over iemand aan tafel, en ze doet vaak precies genoeg.

Een team dat dit kan, heeft geen andere mensen dan een team dat het niet kan. Het heeft geleerd om te kijken naar wat er tussen die mensen gebeurt, en de taal om het te zeggen.

Verdieping

Vier artikelen uit
de TRM-cursus

Groepsdynamica komt in de cursus Team Resource Management op vier plaatsen terug: bij de grenzen van de mens, bij wat druk met iemand doet, bij wat er tussen zender en ontvanger misgaat, en bij de vraag hoe een team dat elkaar niet kent toch op elkaar kan bouwen.

Feilbare mensen, teams en organisaties

Waarom samenwerken onder druk begint bij een realistisch vertrekpunt: mensen nemen begrensd waar, vullen aan en interpreteren te snel. Die feilbaarheid werkt door in teams en in de organisatie eromheen.

Emotionele stabiliteit

Wat spanning met het denken doet, hoe je het bij jezelf herkent voordat het je oordeel bepaalt, en waarom wat de voorzitter uitstraalt de conditie van de hele tafel beïnvloedt.

De onzichtbare drempel

Vier mensen horen dezelfde situatieschets en houden er vier verschillende beelden aan over. Over ruis, selectieve aandacht en het referentiekader waardoor iedereen luistert.

Vertrouwen

Hoe vertrouwen ontstaat in een team zonder gedeelde voorgeschiedenis, waarom rolhelderheid daarin de sterkste hefboom is, en waarom oververtrouwen even riskant is als wantrouwen.

Onderdeel van de training en ontwikkeling van crisisteams

In veel organisaties bestaat vakbekwaamheid uit afzonderlijke onderdelen: een training op functie, een oefening voor het team, een cursus besluitvorming. Elk onderdeel klopt en samen vormen ze geen leerlijn. Wat een crisisteam nodig heeft is een opbouw waarin de vaardigheden op elkaar voortbouwen en het team zichzelf gaandeweg leert waarnemen.

Lees hoe crisisteams leren en gaan presteren

Waar gaat de aandacht aan jullie tafel naartoe?

Elke crisisorganisatie zit anders in elkaar en elk team heeft zijn eigen patronen. In een kennismakingsgesprek kijken we waar die van jullie zitten en wat er nodig is om ze aan tafel zichtbaar te maken.

Plan een kennismaking