ABCD in de praktijk: wat de Nederlandse cases over weerbaarheid wél en niet laten zien

Weerbaarheid

Dit artikel is onderdeel van een vijfluik

1. Sterke gemeenschappen: de verbindingen van vóór de crisis als basis voor weerbaarheid
2. Wat is ABCD?: samenlevingsopbouw vanuit wat er al is voor een weerbare community
3. De valkuilen van ABCD: waar de belofte van veerkracht wringt met het systeem
4. Dit artikel: ABCD in de praktijk: wat de Nederlandse cases over weerbaarheid wél en niet laten zien
5. ABCD en crisisorganisatie: waar de buurt de crisis versterkt, en waar niet (volgt)


Wie aan weerbaarheid werkt, komt vroeg of laat ABCD tegen als manier om buurten sterker te maken. Maar wat laat de Nederlandse praktijk eigenlijk zien?

Ik heb de evaluaties die er zijn naast elkaar gelegd, met één vraag: wat betekenen deze ervaringen voor de opgave weerbaarheid?

Eindhoven: drie wijken, één succes

In het najaar van 2000 begon in Eindhoven een van de eerste Nederlandse ABCD-projecten. De pilot startte in drie wijken: Woensel-West, Hemelrijken en Lijmbeek.

Johan Bodd, de methodisch begeleider van het project, volgde het drie jaar en schreef er een evaluatie over.1 De centrale vraag was of het zelforganiserend vermogen van de wijken was toegenomen, en of dat aan de ABCD-methode lag.

In Lijmbeek was het antwoord ja. Het aantal actieve bewonersgroepen groeide van 13 in juni 2002 naar 16 eind 2003, met 37 vrijwilligers. Van 124 bewoners waren de vaardigheden in kaart gebracht.

Voor velen was het nieuw om een activiteit te organiseren, voor een groep te staan of contact te leggen met instanties. Bodd spreekt van “een zeer vitale informele sociale infrastructuur”.

Voor de jaren daarna besloten de bewoners zelfstandiger verder te gaan, met coaching vanuit Loket W en een zoektocht naar geld voor een doorstart. Het project liep nog drie jaar door.

In de andere twee wijken lukte het niet. In Hemelrijken verhinderde een machtsstrijd tussen bewoners de deelname. In Woensel-West slaagde de pilot in de oorspronkelijke vorm niet.

Beide waren Impulsbuurten, met een lange traditie van professionele ondersteuning, veel voorzieningen en veel extra geld. Volgens Bodd stond daar de probleemoriëntatie nog steeds centraal, bij bewoners, dienstverleners en bestuur.

Lijmbeek viel volgens de evaluatie “tussen wal en schip wat betreft voorzieningen en professionele aandacht”. Geen Impulswijk, geen buurthuis, geen georganiseerde netwerken.

De pilot slaagde dus in de wijk met de minste professionele aandacht. Eén pilot is te weinig om daar een regel van te maken. Het roept wel een vraag op die ik in deze reeks vaker tegenkom: kan veel professionele ondersteuning een buurt ook in een probleemrol houden?

Bodd noemt zelf de beperkingen van de evaluatie. Die is gemaakt van binnenuit, door de begeleider van het project. De eerste meting vond plaats toen het project al liep, en professionele dienstverleners zijn bewust niet geïnterviewd.

Het bereik had ook een grens. Studenten en nieuwkomers bleven er grotendeels buiten, zoals in deel 3 te lezen is.

Voor weerbaarheid haal ik hieruit dat de verbindingen in Lijmbeek groeiden waar bewoners zelf de ruimte kregen. Dat zijn precies de verbindingen waar een buurt in een crisis op zou moeten kunnen terugvallen.

Drieëndertig buurten, tweeënhalf jaar

Ruim twintig jaar later is er een veel groter onderzoek. Tussen 2023 en 2025 volgden het Verwey-Jonker Instituut en de Hogeschool Arnhem en Nijmegen 33 buurten in twee programma’s: Sterke Buurtverbinders en Van Buurten naar Communities.2 Woensel-West staat er opnieuw tussen.

Het onderzoek verscheen in februari 2026 als De Kracht van Samen. Het werd gedaan in opdracht van het Oranje Fonds en in samenwerking met LSA bewoners, de belangenorganisatie voor bewonersinitiatieven.

De onderzoekers zien een duidelijke basis voor sterkere gemeenschappen. Bewoners voelen zich individueel krachtiger, relaties zijn hechter geworden en buurten profiteren van nieuwe plekken voor ontmoeting.

Tegelijk blijven inclusie, verbinding tussen verschillende groepen en bredere bewonersregie kwetsbaar. Activiteiten trekken in de meeste buurten dezelfde, relatief zichtbare groepen bewoners. Mensen bereiken die op afstand staan van bestaande netwerken, blijft volgens de onderzoekers “een hardnekkige uitdaging”.

Ook het geld komt terug. Financiering is volgens het rapport “veelal projectmatig en kortlopend”. Initiatieven worden daardoor kwetsbaar, en community builders staan onder druk om snel verantwoording af te leggen.

De onderzoekers wijzen er zelf op dat tweeënhalf jaar te kort is om de volledige potentie te zien. LSA bewoners trekt in het jaarverslag dezelfde les: “Wie echt wil investeren in gemeenschapskracht, moet stoppen met tijdelijke projecten en beginnen met structureel bouwen, samen met bewoners.”3

Voor weerbaarheid is vooral de kwetsbare kant van dit beeld belangrijk. In deel 3 kwam al naar voren dat mensen met weinig hulpbronnen in een crisis niet vanzelf als eerste geholpen worden. Het lijkt erop dat juist zij ook het moeilijkst bereikt worden.

Groningen: waar het geld naartoe gaat

Nationaal Programma Groningen werkt op een andere schaal dan een buurt: het hele aardbevingsgebied, met leefbaarheid als een van de ambities. KplusV, Aletta Advies en het Sociaal Planbureau Groningen maakten de tussenevaluatie over 2019 tot en met 2024.4

ABCD komt in die evaluatie niet voor. Ik neem haar toch mee, omdat eruit blijkt hoe de verhouding tussen fysieke en sociale investeringen uitvalt.

De evaluatoren zien kwalitatief sterke projecten. Samenhang en leren ontstaan vooral binnen projecten en deelprogramma’s, en minder op het niveau van het programma als geheel.

De leefbaarheid in de aardbevingsgemeenten is sinds 2018 per saldo stabiel gebleven en blijft achter bij vergelijkbare gebieden. Over de besteding schrijven de evaluatoren: “De investeringen zijn sterk geconcentreerd op de fysieke leefomgeving, terwijl initiatieven gericht op sociale samenhang, welzijn en gezondheid relatief beperkt blijven.”

Een aanzienlijk deel van de projecten bestaat volgens de evaluatoren uit pilots, haalbaarheidsstudies en kwartiermakers. Die “creëren voorwaarden voor vervolg, maar leveren op zichzelf geen blijvend effect op”.

Ik lees daarin de financieringsparadox uit deel 3, op de schaal van een hele regio. Wat zichtbaar en meetbaar is, krijgt het meeste geld. Voor weerbaarheid vind ik dat een waarschuwing, omdat een buurt in een crisis juist op die sociale samenhang is aangewezen.

Wat er over het bewijs bekend is

Movisie bracht in 2024 in het dossier Wat werkt bij Samenlevingsopbouw samen wat er over de effecten van ABCD bekend is.5 De samenvatting is nuchter.

Er zijn geen overtuigende trials waarin de resultaten van ABCD in cijfers zijn beoordeeld. Er is ook geen onderzoek waarin is gemeten of de gemeenschapskracht in een wijk toenam. De meeste evaluaties zijn kwalitatief en beschrijvend.

De onderzoekers van Leeds Beckett University komen in hun overzichtsstudie tot hetzelfde beeld. Van 22 publicaties waren er twee kwantitatief, en maar één daarvan rapporteerde uitkomsten.6

Movisie noemt drie oorzaken. ABCD is als interventie niet helder beschreven. Evaluaties kijken vaak naar een maatschappelijk vraagstuk, zoals gezondheid of veiligheid, en zelden naar het versterken van de gemeenschap zelf. En er is geen vaste set indicatoren om gemeenschapskracht te meten.

Uit het kwalitatieve onderzoek blijkt volgens Movisie wel dat er iets gebeurt waar ABCD komt. De activiteiten onder bewoners nemen toe, en er zijn aanwijzingen dat bewoners meer eigenaarschap voelen.

Voor de buurt als geheel zijn de aanwijzingen schaars, en de kans bestaat dat de activiteiten weer doodbloeden. Movisie zet daar zelf een kanttekening bij. Dat het onderzoek geen bewijs levert voor een uitstraling op de buurt, “wil niet zeggen dat die uitstraling er niet is”.

Rode draden voor de opgave weerbaarheid

Geen van deze evaluaties meet weerbaarheid. Ze gaan over activiteit, relaties, eigenaarschap en leefbaarheid. Wat ze over weerbaarheid zeggen, is daarmee indirect.

Of de verbindingen die ABCD oplevert in een crisis ook standhouden, heeft voor zover ik heb kunnen vinden niemand in een ABCD-buurt onderzocht. Daar gaat deel 5 verder op in. Met dat voorbehoud zie ik drie rode draden.

De eerste is dat verbindingen groeien waar bewoners de ruimte krijgen, met steun die niet overneemt. In Eindhoven bleek veel professionele aandacht geen garantie voor succes.

In De Kracht van Samen beschrijven community builders hun werk als “balanceren tussen niet overnemen, faciliteren, loslaten, tijdelijk ondersteunen en weer loslaten”. De onderzoekers pleiten voor “een transformatie van controle en sturing naar faciliteren”.

Tegelijk is de kracht van bewoners volgens hen kwetsbaar “zonder steun van verticale structuren”: beleid, financiering en organisaties. Voor een gemeente die buurten wil voorbereiden op een crisis, betekent dat volgens mij: ondersteunen zonder over te nemen, en op tijd weer loslaten.

De tweede is dat bereik het zwakke punt blijft. Zowel in Eindhoven als in de 33 buurten van De Kracht van Samen bleven groepen buiten beeld. In een crisis zijn dat juist de mensen die er het meest toe doen. Dat bereik moet je daarom bewust organiseren.

De derde is dat het tijd kost en slecht past in projectgeld. Dat komt terug in Groningen, waar pilots volgens de evaluatoren pas iets opleveren als er een vervolg komt, in De Kracht van Samen en in het jaarverslag van LSA bewoners.

Dat maakt verantwoorden lastig. Een gemeente wil weten wat het geld oplevert, en bij ABCD liggen de doelen vooraf niet vast. De bewoners bepalen ze zelf, gaandeweg.6 Movisie wijst op een extra risico: wanneer beleidsdoelen de maatstaf zijn en niet gehaald worden, heeft de overheid een reden om budgetten te korten.5

De onderzoekers van De Kracht van Samen legden een andere maatstaf aan. Ze kozen bewust voor kwalitatief onderzoek, “passend bij de aard van de ABCD-benadering”, en spraken met 503 bewoners over de vitaliteit van hun eigen buurt, aan de hand van een praatplaat, de Wijkwaardenkaart.

Die methoden zijn samen met opbouwwerkers ontwikkeld, zodat bewoners en community builders ze later zelf kunnen gebruiken. Voor een gemeente die wil weten of haar investering in weerbaarheid iets oplevert, is dat misschien de interessantste les: laat de buurt zelf vaststellen wat er verandert.

Wie ABCD inzet voor weerbaarheid, investeert in iets met een lange horizon, en dat vraagt geduld.

Nieuwsbrief weerbaarheid

Ongeveer twee keer per maand het nieuwste artikel en een selectie berichten uit het veld, uit Nederland en daarbuiten.

Bekijk de laatste editie

Verdieping

1. Bodd, J. (2003). Evaluatie ABCD pilot Lijmbeek Eindhoven, oktober 2000 – november 2003. Fontys Hogeschool Sociale Studies Eindhoven.

2. Brock, A. et al. (2026). De Kracht van Samen. Een evaluatieonderzoek naar de programma’s Sterke Buurtverbinders en Van Buurten naar Communities. Verwey-Jonker Instituut en HAN University of Applied Sciences.

3. LSA bewoners (2026). Jaarverslag 2025. Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners.

4. KplusV, Aletta Advies en Sociaal Planbureau Groningen (2026). Tussenevaluatie Nationaal Programma Groningen. In opdracht van Nationaal Programma Groningen.

5. Van Pelt, M. et al. (2024). Wat werkt bij Samenlevingsopbouw. Dossier. Movisie.

6. Woodward, J. et al. (2021). Asset Based Community Development: a review of current evidence. Leeds Beckett University.