Van vredesparadigma naar oorlogsparadigma, en waarom die omslag nodig maar lastig is
De kikker en het kokende water
Het water kookt al. Denk ik… Want als ik kijk naar wat er de afgelopen jaren is gebeurd, vraag ik me af of we doorhebben wat er op het spel staat. Veel organisaties, instellingen en de mensen die erin werken, lijken zich te gedragen alsof het water nog lauwwarm is. Alsof er nog tijd is om te acclimatiseren. Alsof ‘normaal’ nog terugkomt.
De metafoor van de kikker in kokend water is bekend. Gooi je een kikker in heet water, hij springt eruit. Verwarm het water langzaam, dan hij blijft zitten. Het mechanisme is gewenning: de verandering is te geleidelijk om als bedreiging te worden herkend. Het referentiepunt verschuift mee.
Wat gisteren alarmerend was, is vandaag gewoon.
Wat me aan de geopolitieke situatie van dit moment opvalt, is dat de opwarming helemaal niet zo geleidelijk gaat. Het zijn flinke schokken. En toch had het volgens mij maar beperkte invloed op het paradigma. Dat zegt meer dan de kikkermetafoor suggereert. Ik kom daar nog op terug.
Wat Luyendijk bedoelde en wat er daarna gebeurde
Journalist en antropoloog Joris Luyendijk gebruikte de afgelopen jaren herhaaldelijk het onderscheid tussen een vredesparadigma en een oorlogsparadigma om te beschrijven wat er mis is met de Europese houding ten opzichte van geopolitiek.
Ik hoorde het in een interview en het bleef hangen. De kern van zijn argument: West-Europa heeft decennialang geleefd in een wereld waarin internationaal recht werkte, diplomatie conflicten oploste, en vrede de standaard was. Het werkte goed.
Dat heeft de politiek gevormd, maar ook de manier waarop mensen denken, voelen en prioriteren. Maar het vredesparadigma is geen ideologie waar je bewust voor kiest. Het paradigma is meer een manier van kijken. Een bril die kleurt wat je ziet.
In een oorlogsparadigma zie je de gebeurtenissen in de wereld anders. Daarom stel je andere prioriteiten. Militaire capaciteit is geen reservepost op de begroting maar een bittere noodzaak. Je heroverweegt afhankelijkheden in je omgeving, in de logistieke keten van levensmiddelen en kritieke infrastructuur. Je traint burgerbevolking op weerbaarheid. Je stelt bondgenootschappen niet als vanzelfsprekend voor maar onderhoudt ze actief. Je bouwt continuïteitsplannen die uitgaan van langdurige instabiliteit in plaats van tijdelijke verstoring.
Wie in een vredesparadigma denkt, verliest tijd. Wie in een oorlogsparadigma handelt, wint het..”
Luyendijk is hierin niet alleen. De Amerikaanse historicus Timothy Snyder schreef in De weg naar onvrijheid al in 2018 over hoe het Westen zijn eigen wereldorde verwart met de natuurlijke orde van dingen, en daardoor niet ziet wat er op hem afkomt (zie ook dit artikel op Platform O).
Dat boek ging over Rusland en de opkomst van autoritair denken, maar de onderliggende waarneming is dezelfde: wie in een comfortabel paradigma leeft, herkent de erosie ervan pas als het te laat is.
In 2023 betoogde Luyendijk dat Europa in slaap wordt gesust. Media en politiek framen wat er buiten Europa gebeurt als iets van ver weg, iets dat niet echt over ons gaat. Oekraïne wordt gevolgd, maar niet gevoeld. En ondertussen laat Rusland in die oorlog zien wat het kan en wat het wil. Dat verandert het dreigingslandschap in Europa.
Daar bleef het niet bij. Het is misschien wel het meest voelbare kenmerk van dit moment: conflicten stapelen zich op, verspreid over de wereld, en ze raken elkaar. Sinds 2010 is het aantal conflicten waarbij staten betrokken zijn bijna verdubbeld (UCDP).
Het zijn verschillende crises met verschillende oorzaken, maar ze delen één context: een wereld waarin de oude spelregels minder gelden en machtslogica het vaker wint van internationale afspraken.
De opgelopen spanning in het Midden-Oosten is daar een voorbeeld van met gezamenlijke aanvallen van Israël en de Verenigde Staten op Iran.
Waarom het een cognitief en cultureel probleem is
Het is verleidelijk om het vredesparadigma te zien als politieke keuze, iets wat je kunt omdraaien zodra de feiten duidelijk genoeg zijn. Zo werkt het niet, denk ik. Het paradigma zit dieper. Het bepaalt wat als ‘normaal’ wordt ervaren, wat als ‘uitzondering’ wordt gelabeld, en welke conclusies als redelijk gelden.
Neem hoe grote schokken worden verwerkt. De Russische invasie van Oekraïne in 2022 was een schok. Op de voorgrond zie je meteen reacties: verklaringen, sancties, hogere defensiebudgetten, verhitte debatten.
Maar binnen maanden was het conflict genormaliseerd en achtergrondgeluid geworden. De invasie werd een ‘situatie’ die ‘gevolgd’ moest worden. Het dagelijks leven ging door. En daarmee ging ook het gevoel van urgentie weg.
Er is geen gebrek aan empathie of intelligentie. Het is hoe de menselijke geest omgaat met aanhoudende dreiging: door ermee te leren leven. Psychologen noemen dit habituation. Sociologen spreken van normalisering.
Wat ooit als crisis werd bestempeld, wordt langzaam routine. En routine vraagt niet om het aanpassen van het paradigma.
Het vredesparadigma lijkt ook institutioneel verankerd. Organisaties zijn gebaat bij efficiëntie, planning en voorspelbaarheid. Ze weerspiegelen een wereld waarin verstoringen tijdelijk zijn en terugkeer naar stabiliteit de norm is. Een wereld die er misschien niet meer is.
Een ander belangrijk aspect is dat de generatie die oorlog heeft meegemaakt er eigenlijk niet meer is. De generaties die gaan over het hier en nu kennen dat niet. Vrede is niet iets wat werd bevochten. Dat vormt je. Het vormt ook hoe je naar dreiging kijkt, hoe je risico weegt, wat je serieus neemt en wat je wegwuift als overdreven.
En wat betekent de Nederlandse neiging van het polderen, de consensuscultuur, de overtuiging dat je er altijd wel uitkomt met een goed gesprek? Pas die bril ons nog? Of juist wel en moeten we eraan vasthouden? Het heeft ook veel gebracht.
Risicoperceptie als symptoom
Risicoperceptie is geen rationele inschatting van kansen en gevolgen. Ik las ergens dat psycholoog Paul Slovic al in de jaren tachtig aantoonde dat mensen risico’s systematisch anders inschatten dan de statistische werkelijkheid zou voorspellen, en dat die inschatting weinig verandert op basis van feiten alleen.
Zijn latere werk ging over iets wat hij psychic numbing noemt: hoe mensen gevoelsmatig afstompen naarmate dreigingen groter en abstracter worden. Drie miljoen vluchtelingen raakt minder dan één concreet gezicht. De omvang van een dreiging werkt paradoxaal: hoe groter, hoe minder voelbaar.
Wat hier speelt is specifieker. Mensen die zijn opgegroeid in een vredesparadigma hebben oorlog simpelweg niet in hun referentiekader zitten. Ze kennen het conceptueel, de Tweede Wereldoorlog zit in het collectieve geheugen, maar ervaren het als iets van elders of van vroeger.
Dreigingssignalen worden daardoor weggefilterd, geherformuleerd als uitzonderingen, als regionale conflicten, als iets dat anderen aangaat. Dat is een vorm van externalisering, denk ik. De dreiging wordt buiten de eigen werkelijkheid geplaatst.
Het probleem is niet dat mensen de dreiging niet zien. Het probleem is dat ze haar blijven framen als uitzondering op een regel die allang niet meer geldt.
Het paradigma bepaalt de vragen die worden gesteld, de scenario’s die worden beschreven, en de urgentie die wordt toegekend aan wat er buiten de deur gebeurt.
Wat dit betekent voor mensen in veiligheidsfuncties
Een vraag, en ik stel hem als spiegel voor mijzelf evengoed als voor de lezer. Vanuit welk paradigma maak jij keuzes? Wat is de impliciete aanname in jouw crisis- of continuïteitsplan over hoe snel de wereld terugkeert naar normaal? Welke scenario’s worden stilzwijgend buitengesloten omdat ze ’te extreem’ lijken?
Ik werk zelf aan die omslag in publieke organisaties. En ik merk hoe taai dat is. Hersteldenken zit diep ingebakken, in structuren, in planningscycli, in de manier waarop voorbereiding is opgezet.
Tegelijk staan veel organisaties in de publieke sector al met de rug tegen de muur. Personeelstekorten, bezuinigingen, een opeenstapeling van maatschappelijke vraagstukken. De ruimte om fundamenteel anders te gaan denken is er vaak niet. Dat maakt de opgave zwaarder dan ze al is.
Toch is de vraag relevant. Het vredesparadigma uit zich in subtiele keuzes: plannen die uitgaan van kortdurende verstoringen, crisisstructuren ontworpen voor herstel in plaats van voor volgehouden instabiliteit, oefeningen die stoppen op het punt waarop het echt ingewikkeld wordt.
We spreken over incidenten en crises alsof het afgebakende gebeurtenissen zijn met een begin en een einde, in een verder stabiele omgeving.
Maar wat als de omgeving zelf het probleem is? Wat als de stapeling van conflicten, de uitputting van bondgenootschappen en de erosie van internationale rechtsnormen de crisis zijn, en niet alleen achtergrond?
Hoe verder
Wat me helpt zijn drie richtingen of oriëntatiepunten, geen blauwdruk.
De beweging van risico’s naar paradigma-bewustzijn.
De vraag is niet alleen ‘hoe groot is de kans?’, maar ook: ‘vanuit welk wereldbeeld stel ik deze vraag?’ Dat is een metaniveau dat in crisisvoorbereiding zelden expliciet wordt gemaakt. Het helpt om het te benoemen, in teams, in oefeningen, in beleidsdocumenten. Welke aannames zitten er verborgen in onze scenario’s? Wat zouden we anders doen als we ervan uitgingen dat instabiliteit de nieuwe norm is? Dat leidt vast tot een interessant gesprek.
Scenariodenken wat het oncomfortabele niet wegpoetst.
Veel scenario’s zijn ontworpen om beheersbaar te zijn. Ze moeten ergens op uitkomen, een geleerde les opleveren, een plan valideren. Een oorlogsparadigma vraagt om scenario’s waarbij het doel juist niet is om een antwoord te vinden, maar om te ontdekken wat je organisatie niet aankan. Die confrontatie is waardevol, ook als er geen nette conclusie uit volgt.
Leiderschap in onzekerheid.
In een vredesparadigma is een goede leider iemand die rust brengt, het plan volgt en de situatie terugbrengt naar het normaal. In een oorlogsparadigma is een goede leider iemand die functioneert zonder dat er een plan is, die beslissingen neemt op basis van onvolledige informatie, in een omgeving die niet stabiliseert. Dat vraagt andere kwaliteiten, en eerlijk gezegd ook andere selectie- en ontwikkelcriteria dan we gewend zijn.
De kikker zit dus nog in het water… Maar deze kikker, jij en ik, heeft bewustzijn, en dat is het verschil met het dier uit de metafoor. De vraag is of we dat bewustzijn omzetten in actie, of dat we blijven wachten tot het ondubbelzinnig duidelijk is.
Dat moment, als het komt, is altijd te laat.