ABCD en crisisorganisatie: waar de buurt de crisis versterkt, en waar niet

Weerbaarheid

Afbeelding met woningen en verbindingen van assets als basis voor sociale cohesie.

Dit artikel is onderdeel van een vijfluik

1. Sterke gemeenschappen: de verbindingen van vóór de crisis als basis voor weerbaarheid
2. Wat is ABCD?: samenlevingsopbouw vanuit wat er al is voor een weerbare community
3. De valkuilen van ABCD: waar de belofte van veerkracht wringt met het systeem
4. ABCD in de praktijk: wat de Nederlandse cases over weerbaarheid wél en niet laten zien
5. Dit artikel: ABCD en crisisorganisatie: waar de buurt de crisis versterkt, en waar niet


In vier delen heb ik gekeken naar ABCD als manier om buurten sterker te maken. Dan bedoel ik: hoe mensen in een buurt zich voorbereiden op een crisis en ermee omgaan. Eén vraag bleef liggen: wat doet zo’n buurt op het moment dat het echt misgaat?

Het eerlijke antwoord is dat ik het niet weet. Voor zover ik heb kunnen vinden, heeft niemand een ABCD-buurt door een crisis heen gevolgd. Wat er toch over te zeggen is, heb ik hier bij elkaar gezocht.

Twee werelden

Een veiligheidsregio heeft een opschalingsstructuur. GRIP-niveaus, een crisisteam, mandaten die bij escalatie verschuiven. Op papier zit dat strak in elkaar.

Een ABCD-buurt heeft niets van dat alles. Geen mandaat, geen commandolijn, geen draaiboek. Wel mensen die elkaar kennen en gewend zijn samen iets te regelen.

De vraag is hoe die twee zich tot elkaar verhouden als het erop aankomt. En wat een gemeente van de buurt mag verwachten, en wat niet.

Drie fasen

Het helpt mij om een crisis in drie fasen te zien: de tijd ervoor, het acute moment en het herstel daarna. Die indeling is gangbaar in de crisisbeheersing. Hoe ik ABCD erover verdeel, is mijn eigen lezing.

In de voorbereiding is ABCD in zijn element. In kaart brengen wie wat kan, relaties bouwen, samen iets ondernemen: daar draait de aanpak om. Deel 4 liet zien dat buurten daar na tweeënhalf jaar zichtbaar hechter van werden.

Ook in het herstel past de aanpak. Onderzoek naar groepen na een overstroming laat zien dat onderlinge steun in die periode veel kan betekenen voor het herstel van een gemeenschap.1

Het acute moment is anders. Dan moet informatie snel gedeeld en gecheckt worden. Er moeten besluiten vallen op onvolledige kennis. Iemand moet het overzicht houden en zorgen dat hulp terechtkomt waar ze nodig is.

Een horizontaal buurtnetwerk is daar niet voor gebouwd. Het kan onderlinge hulp organiseren, en dat is veel waard. De coördinatie van de crisisorganisatie kan het niet overnemen.

Wat het onderzoek over buren in een ramp zegt

Over buren in een ramp is wel onderzoek, alleen niet in ABCD-buurten. Na de overstromingen in Limburg in 2021 sprak adviesbureau HKV met getroffenen in Maastricht, Meerssen en Valkenburg.2

Buren speelden daarin een rol. Ze spoorden elkaar aan om te vertrekken en waarschuwden wie het niet doorhad. Een geïnterviewde vertelt een oudere buurman die alleen thuis was, te hebben overtuigd om weg te gaan.

Tegelijk liet het onderzoek zien wie het moeilijk had. Bewoners zonder auto vonden het lastiger om veilig weg te komen, “met name wanneer zij geen sociaal netwerk bezaten om op terug te vallen”.

HKV wijst erop dat het om de stapeling gaat. Bij ouderen komen vaak meerdere nadelen samen: slecht ter been, alleen wonend, een netwerk dat met de jaren kleiner werd. Die combinatie maakt hen kwetsbaar.

Deltares keek naar de slachtoffers van dezelfde ramp. Een groot deel behoorde tot een kwetsbare groep, vaak ouderen en mensen die minder zelfredzaam zijn. Het rapport noemt de inzet van buurt- en mantelzorgnetwerken als manier om hen in veiligheid te brengen.3

Over groepen die pas in de ramp ontstaan, is ook onderzoek gedaan. Een studie in York na de overstroming van 2015 laat zien dat zulke groepen in de loop van de tijd afnemen.1

Dezelfde studie laat ook zien wat ze overeind houdt: gedeelde tegenspoed, herdenkingen en steun die doorgaat. Ander onderzoek ziet twee wegen naar solidariteit, via verbindingen die er al waren en via verbindingen die in de ramp ontstaan.4 Welke van de twee beter werkt, zegt dat onderzoek niet.

LSA bewoners schrijft over de pandemie dat buren elkaar hielpen, en dat de hulp snel op gang kwam “daar waar de netwerken al sterk waren en de betrokkenheid groot”.5 Dat is de ervaring van een belangenorganisatie in haar eigen netwerk, geen meting. Het past wel bij wat ik zelf zag.

Een opvang in achtenveertig uur

In de coronatijd moest er in korte tijd onderdak komen voor honderd Syrische mannen. Ik had de leiding over deze crisisopvang. Eten, drinken, kleding, slaapplekken, douches en toiletten stonden er binnen achtenveertig uur.

Daarna hielden we de opvang vier weken overeind, met het risico op besmetting steeds aanwezig.

Dat lukte niet met de gemeente alleen. Het COA en de veiligheidsregio waren partners, en de veiligheidsregio ondersteunde met personeel uit de regio. Ondernemers, omwonenden en bedrijven uit de stad deden mee. Collega’s wisten wie ze moesten bellen, en die mensen wisten weer anderen te vinden.

De bereidheid was er, midden in een pandemie. Er waren ook weerstand en zorgen in de buurt. Het was er allebei, tegelijk.

Wat ik daaruit meeneem: op het acute moment werkte het omdat de crisisorganisatie en de mensen in de stad elkaar konden vinden. Die verbinding liep via mensen die elkaar al kenden.

De verleiding van de verkeerde verwachting

Hier ligt een redenering op de loer die bestuurlijk aantrekkelijk is. Investeer in sterke buurten, dan heb je straks minder crisisorganisatie nodig.

Karen van Oudenhoven-van der Zee, bijzonder hoogleraar Maatschappelijke Veerkracht aan de VU, wijst in haar oratie op het belang van een heldere afbakening van rollen. Ze zegt het met een voorbeeld dat blijft hangen.6

“Vrijwilligers van een voetbalvereniging kunnen het welzijn van kinderen bevorderen, maar zijn geen welzijnswerkers die daarop kunnen worden afgerekend.”

Voor een buurt in een crisis lees ik hetzelfde. Wie verwacht dat een hechte buurt zich op het hoogtepunt van een ramp zelf wel redt, vraagt iets waar die buurt niet voor gemaakt is.

Het risico van bezuinigen is in de ABCD-literatuur bekend. Een overzichtsstudie van Leeds Beckett University noemt de kritiek dat de aanpak gebruikt kan worden als reden om publieke budgetten te verlagen.7

Wat ik in de praktijk zie, is een variant daarvan. De budgetten voor weerbaarheid dalen niet, en stijgen ook nauwelijks. De ambitie is maximale zelfredzaamheid, tegen beperkte kosten.

Daaronder zit volgens mij een verwachting: dat inwoners door de landelijke campagne vanzelf in actie komen, en dat het dan goed komt.

Van Oudenhoven-van der Zee beschrijft wat er dan met bewoners kan gebeuren. Wie zich onvoldoende beschermd voelt door de overheid, kan afleren om zelf initiatief te nemen. Ze haalt er de term uit de psychologie bij: aangeleerde hulpeloosheid.

Een gemeente die de buurt laat dragen wat ze zelf niet financiert, raakt daarmee twee dingen. Haar eigen slagkracht op het moment dat het erop aankomt, en de bereidheid van bewoners om zelf iets te doen.

De hoogleraar zegt er wel nadrukkelijk bij dat inzetten op de veerkracht van gemeenschappen niet betekent dat de overheid haar verantwoordelijkheid afschuift. Het gaat om de verhouding tussen de twee.

Noodsteunpunten: waar de twee werelden elkaar raken

Die verhouding wordt nu concreet. Het kabinet wil de komende jaren noodsteunpunten inrichten in wijken en dorpen. In alle veiligheidsregio’s lopen daarvoor nu pilots.

LSA bewoners en de Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen stellen in een opiniestuk voor die punten onder te brengen in bestaande buurthuizen, dorpshuizen en andere ontmoetingsplekken van bewoners zelf. “De beste noodsteunpunten? Dat zijn de bestaande ontmoetingsplekken van bewoners.”

Ik lees daarin precies de vraag van dit artikel. Een noodsteunpunt is een plek van de crisisorganisatie op het acute moment. Een buurthuis is een plek waar in rustige tijden de verbindingen groeien.

Als die twee samenvallen, raken de werelden elkaar op een herkenbaar adres. Dan moet wel vooraf duidelijk zijn wie wat doet, wie aanspreekbaar is en welke informatie waarheen gaat.

LSA bewoners beschrijft ook een botsing. Veel bewonerscollectieven zagen weinig in de oproep om individueel een noodpakket aan te leggen. “We hebben elkaar nodig”, was hun reactie.5 Voor de samenwerking met de overheid is dat een signaal om serieus te nemen.

Wie buiten beeld blijft

In deel 4 kwam het al naar voren: ABCD-activiteiten trekken in de meeste buurten dezelfde, relatief zichtbare bewoners. Mensen op afstand van bestaande netwerken bereiken blijft “een hardnekkige uitdaging”.8

De ambitie om iedereen te betrekken is er wel. “Iedereen is welkom” is een van de principes. Het lukt alleen nog onvoldoende, en community builders missen volgens de onderzoekers de tijd en de handvatten.

Leg dat naast Limburg, en het beeld is ongemakkelijk. De mensen die een buurtnetwerk het minst bereikt, zijn ook de mensen die in een ramp extra kwetsbaar zijn.

Van Oudenhoven-van der Zee trekt dezelfde conclusie. Het is “niet vanzelfsprekend dat mensen die kwetsbaar zijn door gebrek aan hulpbronnen tijdens crisissituaties ook als eerste geholpen worden”. Dat vraagt volgens haar extra aandacht, “ook van de overheid”.6

Snel willen, tijd nodig hebben

In de praktijk hoor ik vooral de boodschap dat we het samen moeten doen. Dat klopt. Alleen klinkt het al snel als een taakverdeling: de overheid doet haar deel, de buurten doen het hunne.

Daar zijn de meeste buurten op dit moment niet op ingericht. Ze zijn het niet gewend, en de verbindingen die ABCD veronderstelt, moeten in veel wijken nog groeien.

Hier zit volgens mij het knelpunt. Een gemeente wil weerbaarheid snel, stevig en goed geregeld hebben. ABCD vraagt tijd, en verdraagt slecht een overheid die het overneemt.

Afwachten is evenmin een optie. Verbindingen in een buurt moeten bewust vormgegeven worden, en dat kost capaciteit: mensen met tijd voor de buurt, die weten wanneer ze moeten bijspringen.

In deel 1 kwam het al naar voren: receptief gedrag van de overheid helpt het meest om eigenaarschap en solidariteit te laten groeien. Voor mij betekent dat een gemeente die er staat als bewoners haar nodig hebben. Hulpvaardig en aanspreekbaar, zonder zelf de kar te trekken.

Met meerdere opgaven tegelijk vraagt dat radicale keuzes in waar tijd en geld naartoe gaan. Wie moet kiezen waar te beginnen, heeft een voor de hand liggend vertrekpunt: de inwoners die minder zelfredzaam zijn. Breng in kaart waar zij wonen, en versterk eerst het netwerk om hen heen.

De leemte

Terug naar de vraag waarmee ik begon. Geen van de onderzoeken in deze reeks heeft gemeten wat een ABCD-buurt in een crisis doet. Ze gaan over activiteit, relaties en eigenaarschap in rustige tijden.

Het onderzoek naar rampen gaat over buren in het algemeen, niet over buurten die bewust aan hun verbindingen hebben gewerkt. Tussen die twee ligt een gat.

Voor mij blijft ABCD een kansrijke weg naar weerbaarheid, ook met dat gat. Het vraagt wel bescheidenheid over wat het oplevert, en de bereidheid om het te volgen. Een gemeente die erin investeert, kan zelf meten wat er gebeurt als het een keer spannend wordt.

Rode draden voor de opgave weerbaarheid

Met dat voorbehoud zie ik vier rode draden, voor de hele reeks. De eerste is dat de buurt sterk is vóór en ná het acute moment. Daar groeien de verbindingen en daar verwerkt een gemeenschap wat er gebeurd is. Op het acute moment vult de buurt de crisisorganisatie aan.

Die verbindingen kun je oefenen op kleine verstoringen. De hitte van afgelopen zomer, de droogte, een mogelijk watertekort. Ik zie dat er op zulke momenten weinig gekeken wordt naar wat inwoners doen. Juist dan kunnen ze betrokkenheid tonen, ervan leren en de verbindingen in de buurt een duw geven.

De tweede is dat de verbinding tussen buurt en crisisorganisatie in de koude fase gelegd wordt. Wie elkaar pas in de crisis leert kennen, spreekt elkaars taal niet. Noodsteunpunten in bestaande ontmoetingsplekken kunnen die verbinding een adres geven.

De derde is dat kwetsbare mensen alleen bereikt worden als iemand dat tot taak maakt. Een buurtnetwerk bereikt vanzelf de verbondenen. Voor de rest moet het bewust georganiseerd worden, door de buurt en door de gemeente.

De vierde is dat sterke buurten geen besparing opleveren. Wie de buurt laat dragen wat de gemeente zelf niet financiert, verzwakt beide: de slagkracht van de gemeente, en het vertrouwen van bewoners dat hun inzet ergens op aansluit.

Ook de community builders en wijkregisseurs die verbindingen op gang helpen, zijn niet minder nodig als bewoners meer zelf doen. Het is een misvatting dat de capaciteit van de overheid naar de samenleving verschuift.

Een sterke buurt maakt de crisisorganisatie niet overbodig, en de mensen die buurten helpen verbinden evenmin. De twee versterken elkaar pas als je ze vooraf verbindt, elk op de plek waar ze sterk zijn.

Nieuwsbrief weerbaarheid

Ongeveer twee keer per maand het nieuwste artikel en een selectie berichten uit het veld, uit Nederland en daarbuiten.

Bekijk de laatste editie

Verdieping

1. Ntontis, E. et al. (2020). Endurance or decline of emergent groups following a flood disaster: Implications for community resilience. International Journal of Disaster Risk Reduction, 45, 101493.

2. Van den Berg, K. et al. (2022). Evacuatiegedrag van getroffenen tijdens de overstromingen in Limburg in juli 2021. Eindrapport. HKV lijn in water, in opdracht van Rijkswaterstaat en Deltares.

3. Van Kester, B. et al. (2023). Lessen uit zomerhoogwater 2021 voor slachtofferanalyses. Deltares, in opdracht van Rijkswaterstaat.

4. Fernandes-Jesus, M. et al. (2021). More Than a COVID-19 Response: Sustaining Mutual Aid Groups During and Beyond the Pandemic. Frontiers in Psychology, 12, 716202.

5. LSA bewoners (2026). Jaarverslag 2025. Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners.

6. Van Oudenhoven-van der Zee, K. (2025). Wat ons verbindt. Bouwstenen van een veerkrachtige samenleving. Oratie, Vrije Universiteit Amsterdam. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

7. Woodward, J. et al. (2021). Asset Based Community Development: a review of current evidence. Leeds Beckett University.

8. Brock, A. et al. (2026). De Kracht van Samen. Een evaluatieonderzoek naar de programma’s Sterke Buurtverbinders en Van Buurten naar Communities. Verwey-Jonker Instituut en HAN University of Applied Sciences.