Evaluatie Wet Veiligheidsregio’s. Wat zijn de lessen na de eerste jaren?

De Wet veiligheidsregio’s (Wvr) moest de rampenbestrijding en crisisbeheersing ordelijker, professioneler en meer samenhangend maken. Eén regionale regie op brandweer, GHOR en toen ook de politie. Zie ook: Tien jaar later: de Wet veiligheidsregio’s vanuit een nieuw perspectief. Op 1 oktober 2010 ging de wet in werking; twee jaar later volgde een grote evaluatie in opdracht van het Rijk. Wat levert die op? Genoeg om nu te concluderen: het stelsel staat, maar de fine-tuning ontbreekt nog.

De grote lijn

De evaluatie begint nuchter: verdere schaalvergroting is nu niet de oplossing. Eerst het bestaande stelsel laten rijpen, met de organisatie, werkprocessen en netwerken. Pas daarna weer sleutelen. Tegelijkertijd vraagt de verdeling van verantwoordelijkheden om herziening: maak helderder wat van het Rijk is en wat van de gemeenten, en geef de veiligheidsregio’s (bestuur én professionals) meer ruimte om samen de inhoud te ontwikkelen. Dat is de kernboodschap.

Discussiepunten die ertoe doen

1) Democratische inbedding

De Wvr is “verlengd lokaal bestuur” met burgemeesters aan het roer. Formeel logisch, in de praktijk stroef. Gemeenteraden staan op afstand; hun effectieve machtsmiddel is vooral de begroting. Risicoprofielen werken technocratisch en democratiseren niet vanzelf. Raden praten mee, maar voelen weinig beleidsruimte. De evaluatie concludeert: de lokale legitimatie is beperkt, al dwingt het model wel tot blijvend contact tussen regio en gemeenten.

2) Bovenregionale crises

Wat als een incident regiogrenzen overschrijdt? De wet is hier mager. Dat vergroot de risico’s in de “warme” fase. Adviezen van de Bestuurlijke Werkgroep Bovenregionale Samenwerking (Noordanus) bieden een noodzakelijke aanvulling, bijvoorbeeld via een Rijk-brede GRIP-procedure en duidelijke afspraken over wie wanneer overneemt.

3) Rijk – regio – provincie: wie stuurt?

De minister kan landelijke doelen opleggen, maar deed dat na inwerkingtreding van de Wvr niet. Ondertussen worstelen regio’s met “schurende ketens”: de spanning tussen de algemene kolom (veiligheidsregio’s) en functionele kolommen (water, energie, transport). De CvdK is bedoeld als rijksheer, maar de rol verschilt sterk per provincie en overlapt soms met de voorzitter van de veiligheidsregio. Resultaat: weinig eenduidige rijkssturing op het terrein waar dat juist helpt.

4) Toezicht zonder tanden

De Inspectie VenJ kijkt toe, rapporteert en houdt “de staat van de rampenbestrijding” bij. Maar sanctioneren? Nee. Het zware middel taakverwaarlozing staat juridisch klaar, maar is praktisch onbruikbaar als dagelijks stuurinstrument. In de evaluatie klinkt de wens naar een “handhavingsladder”: lichter, gradueel, effectiever.

5) Nationale platforms en standaardisatie

Het Veiligheidsberaad heeft gezag, maar de bestuurlijke aansluiting met regionale besturen is niet altijd goed. De overlegtafel is bovendien druk en onoverzichtelijk. Informatievoorziening en regie daarop zijn in de Wvr niet scherp belegd; wie trekt landelijk aan het LCMS- en IV-dossier? Het convenant Netcentrisch Werken helpt, maar lost de governancevraag niet op. Het IFV wekt hoge verwachtingen voor uniformering en kennisdeling, al is de aansturing complex.

6) Bevolkingszorg en communicatie

De gemeentelijke kolom blijft kwetsbaar. “Bevolkingszorg op orde” (commissie Bruinooge) stelde daarom prestatie-eisen voor. Met nadruk op zelfredzaamheid, duidelijke taken en stevige basisprocessen. De evaluatie toont aan dat die normering nodig is; te veel vrijblijvendheid leidt tot kwaliteitsverschillen. Ook bij risico- en crisiscommunicatie zijn de lijnen diffuus: wie is wanneer verantwoordelijk, regio of gemeente? De praktijk vraagt om duidelijkheid én tempo. Denk aan de eis dat binnen 30 minuten na een incident feitelijke info beschikbaar is, en binnen een uur duiding door het boegbeeld.

7) Geld en doelmatigheid

Over doelmatigheid doet de evaluatie geen harde uitspraken. Dat kon op dat moment ook niet. De Algemene Rekenkamer startte daarom een separaat onderzoek. Tekenend daarin: het stelsel is jong, de rekeningen lopen, maar het debat over “waar voor je geld” moet nog volwassen worden.

Adviezen en actielijnen die houvast geven

Scherp de rolverdeling aan

Maak de splitsing Rijk-gemeenten explicieter. Leg vast wie bij bovenregionale situaties leidt en wanneer het Rijk (op onderdelen) overneemt. Daarmee voorkom je bestuurlijke mist op de slechtst denkbare momenten.

Geef de toezichthouder duidelijke tussenstappen en lichte sancties

Tussen “rapporteren” en “taakverwaarlozing” gaapt een gat. Ontwikkel een handhavingsladder voor de Inspectie VenJ met lichte en zware instrumenten: aanwijzingen, verscherpt toezicht, eventueel boetes. Niet om te straffen, maar om te sturen.

Normeer bevolkingszorg

Veranker de prestatie-eisen uit “Bevolkingszorg op orde” in beleid of regelgeving, inclusief heldere procesafspraken over nazorg, slachtofferregistratie en gemeentelijke capaciteit. Daarmee wordt de ‘zachte kant’ van crisisbeheersing net zo voorspelbaar als de inzet van voertuigen en manschappen.

Leg communicatie-verantwoordelijkheden vast

Omschrijf in de Wvr of aanpalend beleid wie welke taken heeft in risico- en crisiscommunicatie. Een burger moet niet merken waar de grens tussen regio en gemeente loopt. Zeker niet in de eerste uren. De prestatie-eisen voor timing en duiding bieden hier een bruikbaar startpunt.

Borg landelijke informatievoorziening en leerinfrastructuur

Standaardiseer informatievoorziening met een duidelijk landelijk mandaat. Gebruik het Veiligheidsberaad voor prioriteiten en het IFV voor uitvoering en kennis, maar zorg dat de lijnen naar regionale besturen kort en formeel zijn. Minder tafels, meer doorzettingsmacht.

Laat het stelsel eerst volwassen worden

Geen nieuwe fusies of schaalstappen. Focus op vakontwikkeling, gezamenlijke leercycli en bestuurlijke routines. Elk incident is een stresstest; elk leerpunt moet zonder gedoe zijn weg vinden naar normering, oefenprogramma’s en besluitvorming.

Slot: betekenis boven bewijs

Wat betekent dit alles? Dat een juridisch raamwerk nog geen gewoonte is. Dat crisisbeheersing niet alleen draait om “wie de baas is”, maar vooral om ritme, rolvastheid en relaties. En dat een stelsel dat inzet op netwerksturing (tussen burgemeesters, professionals en het Rijk) duidelijke ankerpunten nodig heeft: wie besluit, wie meet, wie leert, wie verbetert.

De evaluatie is geen pleidooi voor grootse verbouwingen. Eerder voor aandachtig onderhoud. Zet de lijnen uit, regel de randvoorwaarden, geef toezicht de juiste instrumenten, leg communicatie en bevolkingszorg vast en oefen daarna, samen en vaak. Dan komt die beloofde regionale slagkracht niet uit papieren schema’s, maar uit routine en vertrouwen. Precies daar waar het ertoe doet.

Remco Heijnen

Over Remco Heijnen

Ik begeleid organisaties en teams in het veiligheidsdomein als project- en programmamanager, teamcoach en mediator. In mijn artikelen verken ik concepten en inzichten die helpen om te gaan met hedendaagse veiligheidsvraagstukken en een voortdurend veranderende werkpraktijk.

Laat een reactie achter