Tien jaar later: de Wet veiligheidsregio’s vanuit een nieuw perspectief
Tien jaar na de invoering van de Wet veiligheidsregio’s ligt er een nieuwe evaluatie op tafel. De commissie onder leiding van Erwin Muller keek in 2020 terug op een decennium regionale veiligheid. De conclusie is evenwichtig: het stelsel heeft Nederland veiliger gemaakt, maar het past niet meer bij de crisis van nu. De wet is toe aan onderhoud, vereenvoudiging en vooral: vernieuwing in geest en samenwerking.
Een stelsel dat zich heeft bewezen
De Wet veiligheidsregio’s (Wvr) trad in 2010 in werking om rampenbestrijding en crisisbeheersing steviger te organiseren. De regionale bundeling van brandweer, GHOR en gemeentelijke taken moest zorgen voor meer samenhang en slagkracht. Volgens de evaluatie heeft dat gewerkt. Veiligheidsregio’s hebben de basis op orde: bestuur, coördinatie en samenwerking tussen hulpdiensten zijn professioneler dan ooit.
Er is een herkenbare structuur ontstaan met burgemeesters aan het roer en een bestuurlijke voorzitter die bij crises de leiding neemt. De samenwerking tussen disciplines is verbeterd, opleidingen zijn gestandaardiseerd en de brandweerzorg is eenduidiger geregeld dan voorheen.
Maar de commissie ziet ook hoe de omgeving sneller is veranderd dan de wet. Nieuwe risico’s zoals digitale verstoringen, langdurige maatschappelijke ontwrichtingen en grensoverschrijdende crises vragen om een andere logica. Niet meer het klassieke beeld van een ramp met een begin en een eind, maar een proces van voortdurende verstoring en aanpassing.
Een complexe wet met losse eindjes
De evaluatie noemt de wet “complex en onevenwichtig”. In één document zijn drie werelden samengebracht: brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing. Dat levert een lappendeken op van artikelen, verantwoordelijkheden en uitzonderingen. Sommige onderdelen, vooral de brandweerzorg, zijn precies uitgewerkt, andere nauwelijks. Daardoor ontstaan verschillen in interpretatie en uitvoering.
Ook de verbinding tussen niveaus schiet tekort. De regio’s werken sterk binnen hun eigen grenzen, maar de koppeling met nationale coördinatie ontbreekt vaak. Voor bovenregionale crises of langdurige maatschappelijke ontwrichtingen is geen duidelijke structuur. De wet is geschreven voor acute incidenten, niet voor langdurige schaarste of structurele risico’s.
Daarnaast merkt de commissie op dat de Wvr nauwelijks prikkels bevat voor internationale samenwerking. Terwijl de veiligheidsvraagstukken van nu, zoals pandemieën, cyberaanvallen en klimaateffecten, per definitie grensoverschrijdend zijn.
Van evaluatie naar herziening
De commissie is duidelijk: de Wet veiligheidsregio’s hoeft niet op de schop, maar moet wel grondig worden herschreven. Het voorstel is ambitieus: een nieuwe Wet crisisbeheersing en brandweerzorg, eenvoudiger, consistenter en toekomstgericht.
Het idee is niet om meer regels te maken, maar juist minder en beter. De wet moet niet voorschrijven hoe de organisatie er precies uitziet, maar welke functies altijd geborgd moeten zijn: voorbereiding, samenwerking, besluitvorming en leren van crises.
Die herziening vraagt om een andere manier van denken: van beheersen naar grensoverschrijdend samenwerken. De commissie spreekt van “bestuurlijke kunst”, het vermogen om over institutionele grenzen heen te werken zonder het gezag of de verantwoordelijkheid uit het oog te verliezen.
De negen hoofdaanbevelingen
De evaluatie vat haar conclusies samen in negen aanbevelingen. Samen vormen ze een routekaart voor de volgende fase in het stelsel.
- Behoud het regionale model, maar bied flexibiliteit. De veiligheidsregio is een beproefde schaal voor samenwerking, maar moet zich kunnen aanpassen aan de opgave. Fusie of koppeling met andere regelingen moet wettelijk mogelijk worden.
- Maak onderscheid tussen crisisbeheersing en brandweerzorg. Nu lopen beide werelden door elkaar. Heldere doelen en bevoegdheden helpen om verantwoordelijkheden zuiver te houden.
- Vereenvoudig de wet. Minder technocratie, meer helderheid. De nadruk moet liggen op wat nodig is om effectief te handelen: slagkracht, samenwerking, leren.
- Behandel crisisbeheersing als een cyclus. Niet alleen de respons telt, ook voorbereiding, herstel en evaluatie. Crisisbeheersing is een continu proces, geen noodknop.
- Stimuleer samenwerking over regiogrenzen heen. De schaal van het risico moet bepalend zijn, niet de bestuurlijke indeling.
- Versterk kennis en kwaliteitszorg. Het Instituut Fysieke Veiligheid (nu NIPV) moet een stevigere positie krijgen in onderwijs, onderzoek en professionalisering, met duidelijke governance.
- Verduidelijk rollen en bevoegdheden. Vooral tussen Rijk, provincies en veiligheidsregio’s. Wie stuurt, wie coördineert, wie heeft het laatste woord bij een bovenregionale crisis?
- Vergroot democratische legitimiteit. Gemeenteraden staan op afstand van de veiligheidsregio’s. Verplicht tussentijdse verantwoording tijdens langdurige crises en verbeter de informatiepositie van raadsleden.
- Maak maatschappelijke veerkracht onderdeel van beleid. Burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties moeten niet alleen als doelgroep, maar ook als partner worden gezien in voorbereiding en herstel.
Nieuwe werkelijkheid: van ramp naar systeemcrisis
De commissie signaleert een verschuiving: waar vroeger de brand of overstroming het archetype van een crisis was, gaat het nu om samenlopende verstoringen in zorg, energie, digitale infrastructuur of logistiek. Zulke crises zijn niet in één regio of etmaal te vangen. Ze vragen om bestuurlijke veerkracht, informatiekracht en samenwerking die langer standhouden.
Daarom pleit de commissie voor flexibele crisisbeheersing. Een stelsel dat snel kan opschalen, maar ook maandenlang kan blijven coördineren. Dat vereist een andere houding: minder hiërarchisch, meer netwerkgericht. De veiligheidsregio’s moeten functioneren als knooppunten in dat netwerk, met het Rijk als partner in plaats van commandant.
Brandweerzorg: solide basis, kwetsbare samenhang
Van alle onderdelen van de Wvr is de brandweerzorg het best ontwikkeld. De basiszorg op regioniveau werkt goed, samenwerking en paraatheid zijn op orde. Toch ziet de commissie kwetsbaarheden bij bovenregionale inzet. Niet elk specialisme is overal aanwezig en landelijke afstemming ontbreekt.
De oplossing ligt volgens de evaluatie in opgavegericht samenwerken: regio’s vullen elkaar aan in plaats van elkaar te spiegelen. Niet elke regio hoeft alle capaciteit in huis te hebben, zolang er landelijke dekking is. Dat vraagt om afspraken over specialisaties, opleidingsroutes en de uitwisseling van personeel en materieel.
Democratie en legitimiteit
De veiligheidsregio’s functioneren als verlengd lokaal bestuur, maar de democratische betrokkenheid blijft mager. Gemeenteraden hebben weinig mogelijkheden om te sturen of bij te sturen. Ze keuren vooral begrotingen goed, maar missen inhoudelijke invloed op beleid en voorbereiding.
De commissie pleit daarom voor meer transparantie, betere terugkoppeling en een sterkere informatiepositie van raadsleden. Tijdens langdurige crises moet de voorzitter van de veiligheidsregio tussentijds verantwoording afleggen, niet alleen achteraf.
De onderliggende vraag is fundamenteel: hoe houd je democratische grip op een netwerk dat buiten de traditionele politieke verhoudingen werkt?
Informatie en toezicht
De evaluatie wijst drie structurele knelpunten aan.
- De informatievoorziening is versnipperd. Systemen sluiten onvoldoende op elkaar aan en er is geen eenduidige norm voor datadeling of rapportage.
- Het toezicht is beperkt effectief. De Inspectie JenV heeft geen handhavingsmiddelen; ze kan slechts constateren en rapporteren.
- Kwaliteitszorg is ongelijk verdeeld. Er zijn grote verschillen in professionaliteit en uitvoering tussen regio’s.
De commissie pleit voor landelijke kwaliteitskaders en een steviger toezichtinstrumentarium, maar waarschuwt tegelijk voor te veel centralisatie. De kracht van het stelsel ligt immers in de regionale dynamiek.
Naar een nieuwe balans
De rode draad in de evaluatie is het zoeken naar balans: tussen vrijheid en eenheid, tussen lokale kracht en landelijke regie, tussen bestuurlijke structuur en maatschappelijke veerkracht.
De commissie ziet de veiligheidsregio’s als een succes van bestuurlijke samenwerking, maar ook als een systeem dat zichzelf opnieuw moet uitvinden. Crises veranderen, en de wet moet meebewegen.
De aanbevelingen zijn niet bedoeld als blauwdruk, maar als richting. Minder papier, meer praktijk. Minder hiërarchie, meer netwerk.
Slot: de kunst van samen sturen
De evaluatie van 2020 markeert het einde van de pioniersfase van de veiligheidsregio’s. De eerste tien jaar gingen over bouwen; de volgende gaan over bijsturen.
De uitdaging ligt niet in nieuwe structuren, maar in het ontwikkelen van routine, vertrouwen en een gezamenlijke leerhouding. Zoals de commissie het zelf samenvat:
“Samenwerken in complexe netwerken is een kunst.”
Het is die kunst die de komende jaren zal bepalen hoe Nederland omgaat met de crises van morgen.